De   mythe   van   Rainbow crow


In de dagen van lang vervlogen tijden, nog voordat de Lenape voorouders op aarde rondliepen, was de wereld groen en prachtig. Het weer was altijd warm en de dieren waren zeer gelukkig. Kijiamuh Ka'ong, de Schepper, die creëert door te denken aan wat Moeder Aarde nodig heeft, wilde op een gegeven moment iets nieuws creëren en dacht aan de Kou. Na zijn denkkracht wandelde de Snow Spirit over de aarde. Mist en regen veranderden in vorst en natte sneeuw. De aarde werd plotseling koud en er vielen talloze, witte, sprankelende vlokken sneeuw uit de lucht en bedekten de aarde met haar stilte en witte zachtheid. De dieren die voor het eerst sneeuw zagen, waren toen nog niet bang.

Al snel werd de sneeuwlaag dikker en Axpo'kwès, de muis, verdween erin. Het enige, dat nog te zien was, was het puntje van zijn staart. De andere dieren begonnen zich zorgen te maken.
Toen verdween Chèmà'mès, het konijn. Het enige, dat nog te zien was, waren de toppen van zijn oren. Inmiddels waren de dieren echt ongerust geworden.
De sneeuw bedekte al het land meer en meer en begroef de dieren in hun grotten en holen. Alle schepselen op aarde vreesden voor hun leven. Dus kwamen de dieren bijeen in de Raad, die samenkwam op een open plek diep in het bos om de situatie te bespreken.

Ze besloten dat er een boodschapper nodig was om naar het huis van Kijiamuh Ka'ong te reizen en hem te vragen het sneeuwen te laten stoppen. Ze vroegen onder elkaar: "Wie is bereid om zo'n reis te maken, naar de twaalfde hemel, die verre en afgelegen woonplaats van de Schepper?".
Wapink, de Opossum zei: "Kukhus, de Uil, is de meest wijze. Misschien moet hij degene zijn, die gaat!". “Maar, nee!", fluisterden de dieren: “Hij kan in het daglicht en onder een stralende hemel verdwalen. Dus Uil moet niet gaan!.

Toen zei Tamakwa, de bever, "Misschien moet Naxànum, de wasbeer, gaan!" "Nee!", ruzieden de dieren: “Misschien volgt hij zijn staart in plaats van zijn neus. Dus Wasbeer mag niet gaan!”.
Daarna zei Shikak, het stinkdier, “Misschien moet Tàme'tut, de Coyote, gaan. Tàme'tut is heel snel en kan vast een list bedenken om Kijiamuh Ka'ong ons te laten helpen!”. "Nee!", riepen de dieren: “Coyote is slim en houdt ervan om trucjes uit te halen, maar is nog niet half zo slim als de Schepper. Coyote kan wel de wolken achterna zitten of de wind inslikken, maar hij mag dus niet gaan!”.
"Maar wie van ons moet dan gaan?", vroeg Schildpad. "Ik weet zeker, dat ik ooit in de hemel terecht zou komen, maar we moeten heel snel handelen, voordat we allemaal doodvriezen!".
Toen krijsten en huilden, grauwden en gromden alle dieren uit frustratie, omdat ze niet konden beslissen, wie deze opdracht uit zou kunnen voeren. Ondertussen bleef het maar sneeuwen en werd de sneeuw-laag dikker en dikker. De kleine dieren klommen bovenop de grotere dieren, zodat ze niet zouden verdwijnen.

Op het moment, dat de dieren in hun grootste wanhoop verkeerden, liet Mànàka'has, de Rainbow Crow, zich vanaf de top van een hoge boom omlaag zweven en daalde tussen hen in. Rainbow Crow waaierde zijn veren uit en was de mooiste van alle vogels, met schitterende veren in elke kleur en kon de mooiste en liefste liedjes zingen. Met de liefste stem, die ze ooit van een vogel hadden gehoord, zei Rainbow Crow: "Ik zal gaan. Ik zal gaan. Ik zal Kijiamuh Ka'ong gaan vragen om ons te helpen!". De dieren waren zo blij, dat ze veel lofliederen voor hem zongen.

Het was een lange en moeilijke reis: Drie dagen omhoog vliegen door de lucht, boven de bomen en wolken, voorbij de zon en de maan en de sterren. Sterke windvlagen zwiepten hem heen en weer of stuwden hem met een tomeloze vaart vooruit. Er was nergens vaste bodem om te landen en te rusten. Nog steeds vloog Rainbow Crow, totdat hij uitgeput door de reis de twaalfde hemel bereikte.

Toen hij weer op adem was gekomen, riep Rainbow Crow: "Kijiamuh Ka'ong, help ons!". Maar de Schepper was druk bezig met het bedenken van bosbessen en hoorde hem niet. 
"Kijiamuh Ka'ong, hoor me alsjeblieft!" Maar de Schepper was bezig met het bedenken van vuursteen en hoorde de oproep niet.

"Kijiamuh Ka'ong, Grote Schepper, help ons alstublieft!". Maar de Schepper was bezig met het bedenken hoe echo’s tot leven geroepen kunnen worden en hoorde wederom de roep niet.
Dus Rainbow Crow schraapte zijn keel en zong zijn mooiste lied. Toen de Schepper het gezang hoorde, stopte hij met denken, begon te luisteren en werd nieuwsgierig. Nooit eerder had hij zo'n lieve zangstem en zo'n mooi lied gehoord. Toen hij Mànàka'has zag, zei de Schepper: "Ik herinner me nog goed, dat ik jou bedacht heb. Wat ben je toch een geweldig wezen met jouw prachtige kleuren en mooie stem. Wat een betoverend lied heb je gezongen!”. “Ik heb het speciaal voor jou gezongen!”, zei Rainbow Crow.
"Dankjewel", zei de Schepper: “Mag ik jou een gelijkwaardig geschenk aanbieden in ruil voor jouw lied?".
Er is maar één ding dat ik wens!”, zei Rainbow Crow. "De Snow Spirit bedekt onze wereld met ijs en sneeuw. Alle wezens bevriezen. De gewassen, die je voor ons hebt gemaakt, kunnen tijdens de kieming niet door de ijskoude aarde dringen. Als de Snow Spirit over Moeder Aarde blijft lopen, zullen we allemaal sterven. Alsjeblieft, ik vraag je om niet te denken aan Snow Spirit en om de Kou en het sneeuwen te laten stoppen!".

De Schepper keek neer op de aarde en zag, dat wat Rainbow Crow had gezegd, allemaal waar was. "Nee, Mànàka'has, ik kan het sneeuwen niet laten stoppen, want de sneeuw heeft een eigen Geest. Wanneer de Snow Spirit de wolken verlaat om zijn vriend, de Wind Spirit, te bezoeken, zal het sneeuwen stoppen, maar Moeder Aarde zal nog steeds koud zijn. Wat ik tot creatie bedacht heb, kan niet ongedacht blijven en kan ik niet zomaar ongedaan maken!".
Rainbow Crow boog zijn hoofd: "Dan vlieg ik terug naar Moeder Aarde en vertel ik alle planten en dieren, dat ze zich moeten voorbereiden om te sterven!".

"Wacht even, kleine schoonheid!", zei Kijiamuh Ka'ong: "Als ik kan denken aan Kou dat de Snow Spirit mogelijk maakt, dan kan ik ook denken aan Tindeh - Vuur - dat de wereld kan verwarmen!". De Schepper nam een grote stok en stak het ene uiteinde in de brandende hete zon. "Hier, dit Vuur is voor jou. Het zal de sneeuw doen smelten en de gewassen laten groeien en Mijn Schepselen laten leven!". Toen overhandigde hij de brandende stok aan Mànàka'has en zei: "Ik kan je dit geschenk maar één keer geven. Vlieg snel terug naar de aarde, voordat het vuur uitgaat!".
Rainbow Crow bedankte Kijiamuh Ka'ong en pakte toen de brandende stok aan en vloog zo snel als hij kon weg met zijn schitterend gekleurde vleugels.

Op de eerste dag op weg terug naar de aarde vloog hij in de buurt van de zon, en zijn staartveren vlogen in brand. Tegen de tijd, dat hij de maan bereikte, waren al zijn prachtige veren bedekt met zwart roet van het rokerige vuur.

Op de tweede dag brandde het vuur feller en werd de stok korter, en alle veren van Rainbow Crow werden zwart van roet.

Op de derde dag, toen hij in de dampkring terechtkwam, was de vuurstok zo kort en het vuur zo heet, dat hij rook en as inademde en dat het in zijn ogen prikte. Zijn stem werd gesmoord, gebarsten en hees. “Ka, ka!”, kraste hij.

 

Toen Rainbow Crow weer teruggekeerd was naar de open plek in het bos, waar hij de andere dieren had achtergelaten, waren ze nergens te bekennen. Alleen de toppen van de hoogste bomen staken boven de sneeuw uit. Vanaf toen vloog Mànàka'has voortdurend heen en weer dicht langs de sneeuw, totdat het vuur al de sneeuw gesmolten had en zijn dier-vrienden weer veilig waren.
Pas Rainbow Crow eindelijk weer op de sneeuwvrije, open plek in het bos stond, zag hij, dat zijn mooie veren zo zwart als steenkool en zo donker als de nacht waren. Toen hij zijn snavel opende om alle wezens te roepen, kwam in plaats van een prachtige zangstem als enig geluid een raspend "Ka!" eruit.

Al zijn dier-vrienden kwamen tevoorschijn en elk wezen schreeuwde van vreugde, nadat Tindeh al het ijs en de sneeuw had gesmolten. Een groots feest bedekte de wereld met zang en dans. Alle dieren waren enorm dankbaar, dat hun leven was gered. Zelfs de Snow Spirit verheugde zich en stemde ermee in om op de bergtoppen te gaan wonen en beloofde slechts één seizoen per jaar, de winter, terug te komen. Iedereen was erg blij.

De vuurstok, die Rainbow Crow naar de aarde had gebracht als een geschenk van de Schepper, werd de grootvader van alle branden, en hiervoor dankten alle dieren hem. Ze dansten en zongen liedjes, die Rainbow Crow prezen.

Mànàka'has deed niet mee aan het feest en vloog naar een verre boom om daar alleen te zijn. "Ka! Ka! Kijk naar mij!", huilde hij: "Vroeger was ik mooi met glanzende veren in elke kleur. Nu ben ik geblakerd en bedekt met roet. Wat ik ook probeer, ik kan deze geur en roet niet van mijn verenkleed verwijderen. En ... Ka! Luister naar me! Ik zong altijd de leukste liedjes met de mooiste stem. Nu kras ik en maak ik allerlei lelijke geluiden!".

Toen de Snow Spirit de wolken leegde en zich bij de Wind Spirit voegde, stopte het met sneeuwen. Rainbow Crow huilde nog steeds. Hij was niet langer meer Rainbow Crow, maar gewoon een eenvoudige, zwarte kraai, want zijn regenboog-kleurige veren waren voor altijd verdwenen. Helaas, vanaf toen werd hij gewoon Crow genoemd.

Op dat moment hoorde Kijiamuh Ka'ong, de Schepper, Crow huilen in zijn wanhoop en kwam uit de hemel naar beneden. Een zacht briesje rimpelde de zwarte veren van Crow en toen hij opkeek, zag hij Kijiamuh Ka'ong glimlachend naar hem toe lopen.

Toen hij Crow zag, zei Kijiamuh Ka'ong: "Binnenkort zal de mens op aarde verschijnen. Hij zal het vuur nemen en de baas zijn over alles, behalve over jou. Omdat ik zo dapper en onzelfzuchtig ben, geef ik jou nu het geschenk van de vrijheid. De mens zal jou nooit pijn doen, want jouw vlees smaakt naar vuur en rook. De mens zal jou nooit vangen, want jouw vroegere mooie stem is nu krassend en hees. De mens zal jouw veren nooit waarderen, omdat je regenboog-kleurige veren nu zwart zijn. Maar jouw zwarte veren zullen blinken en alle kleuren reflecteren. Als je goed kijkt, zul je dat allemaal zien."

"Je viert niet met de anderen, Rainbow Crow! Waarom doe je niet mee met dansen?"
"Wie zou er nu met me dansen?", vroeg Rainbow Crow: "Mijn mooie veren zijn bedekt met roet!"
"Waarom sla je dan niet op de drums en waarom zing je niet mee?", zei de Schepper.
"Niemand zal nu naar mijn stem willen luisteren. Elk geluid, dat ik maak, is als schurende rotsen en krakend hout."
Er vormde zich een traan in het oog van Rainbow Crow. Kijiamuh Ka'ong stak zijn hand uit en veegde de traan voorzichtig weg.

"Wees niet bedroefd, Rainbow Crow!", zei de Schepper. "Hoewel je het niet begrijpt, heb ik je gezegend. Vanaf deze dag zal elke plant en elk schepsel je eren voor je vele grote offers. Het volk zal niet op je jagen, want ik heb je vlees naar rook laten smaken. De mens zal jou niets doen door jouw zwarte veren en hese stem, zodat je een vrij en ongebonden dier bent en blijft!"

Toen wees de Schepper naar de zwarte veren van Rainbow Crow: "En wie goed kijkt, zal toch kleuren op jouw veren zien!" Rainbow Crow knipperde met zijn ogen en keek naar zijn doffe, zwarte veren. Één voor één zag hij ze glanzend worden. Op elke veer glinsterden alle kleuren van de regenboog. "Dit zal een teken zijn voor de wezens en mensen van deze wereld. Iedereen, die naar jou kijkt, zal zich jouw dienstbaarheid herinneren en het offer dat je gebracht hebt. Rainbow Crow, je hebt hen allemaal gered!"
Crow keek, en hij zag vele kleine regenbogen in zijn zwarte veren schitteren, en dus was hij tevreden.

De Schepper keerde terug naar zijn woning ver boven de hemel, en Crow keerde terug naar zijn vrienden in het bos, blij en trots dat hij nu gewoon een zwarte kraai was, met glanzende veren vol kleine regenbogen.

En zo is het gebeurd ...